elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanschieten

aanschieten , aanschieten , een hemd, rok of ander kleedingstuk, voor aantrekken en zoo ook uitschieten voor uittrekken.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
aanschieten , anschieten , herinneren (iets aan iemand) nooit zich aanschieten.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
aanschieten , antjeschijten , zie: antjen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aanschieten , anskiete , werkwoord , Ook: (op)jagen, gejaagd doen. | Niet zô anskiete, ’oor, deer ken ik niet teugen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
aanschieten , aansjiete , aasjeite , sjeet aan, haet of is aangesjeete/sjoot aan, haet of is aagesjaote , verklikken. Doe houfs mich neit aan te sjiete: je hoeft me niet bij de politie te melden.; aasjeite aanschieten
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
aanschieten , anschieten , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. aanschieten, niet dodelijk raken Ze hebben ons hond aanschoten (Erf), Der leup een angescheuten haeze, die was pas an escheu allennig mor anscheeiten (Eex) 2. aanklampen As ik hum zie, zal ik hum even anschieten, want ik moet nog geld van hum hebben (Bor), Ik heb hum an eschèuten umme hum te vraogen, of hij mitdee (Bro) 3. snel aandoen Schiet de boks mar even an (Zwe) 4. melk in de uiers krijgen (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Die koe schöt ok an, hie kan wal ies kalven vannacht (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanschieten , anskieten , anskîêten , (Kampen, Kamperveen) aanschieten. Ook: anskîêten (Kampereiland)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
aanschieten , anschietn , 1. aanschieten, aantrekken. Ik zal de jâsse effm anschietn en dan gao ik met oe mee. 2. aanschieten. Die haeze is anescheutn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
aanschieten , anschieten , werkwoord , 1. aanschieten 2. snel aantrekken 3. aanklampen, aanspreken met een bep. doel 4. langsgaan, binnenwippen 5. grenzen aan, liggen 6. in d’r aorig mit anscheten wezen er bep. niet mee geholpen zijn 7. overvallen worden (door de slaap)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aanschieten , añschiete , werkwoord , schiet an, schoot an, añgeschoote , terloops aanspreken ’k Zel ‘m effe añschiete azzik ‘m ziet
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
aanschieten , aonschiete , in de uitdrukking: “‘n broek aonschiete”, “een broek aantrekken”, “iemand aonschiete”, “iemand ophouden om iets te vragen”.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
aanschieten , anskieten , (werkwoord) , 1. aanschieten. IJ ef een aze an-esköten; 2. snel aantrekken. Skiet oew jässe effen an; 3.snel iets vragen. Skiet oew maot effen an a-j em ziet.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
aanschieten , [aanschieten] , aansjete , 1. wild aanschieten bij de jacht 2. iemand aanspreken om iets te vragen
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
aanschieten , ònschiete , sterk werkwoord , ònschiete - schôot aon - òngeschoote , aantrekken (van kleren); Ge schiet tòch wèl ne jas aon meej zon kaaw. Cees Robben – dan kundem sebiet wir ònschiete; Cees Robben – ‘'t is den liste keer dè ge menne jas aonschiet’; A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - st. ww. tr. + intr. aanschieten 1) tr. garven en schoven met zekere snelheid werpen naar de persoon die ze optast; 2) (een of ander kledingstuk) snel aantrekken. J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - AANSCHIETEN, een hemd of rok, of ander kleedingstuk, voor 'aantrekken' . Z. a. K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - AANSCHIETEN - aandoen (bij Hoogstraten aangetekend); Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSCHIETEN: kleedingstuk haastig aantrekken; Van Dale aanschieten - haastig aantrekken (van kleren)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
aanschieten , aanschaete , aanschieten
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal