elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanstaande

aanstaande , aanstaonde , b.v. naaste week.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
aanstaande , ánstaonde , m , aanstaande, verloofde Hùrren ánstaonde is mölder. Haar verloofde is molenaar.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
aanstaande , anstaonde , anstaande , Ook anstaande (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidwest Drenthe, noord) = aanstaande, komende Anstaande zaoterdag gaot wij een dag uut (Coe), ’n Anstaonde maendag wil hij komen (Die), Die kou is anstaonde kalft gauw (Ros), De trouwerije is anstaonde (Smi), Dit is mien anstaonde vrouw (Oos), …anstaonde schoonzeune (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanstaande , anstaonde , de , anstaonden , aanstaande, verloofde Mien dochter heur anstaonde drag ein baord (Pei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanstaande , anstaonde , bijvoeglijk naamwoord , komende (zaterdag, bijv.)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
aanstaande , anstaonde , zelfstandig naamwoord , toekomstige echtgeno(o)t(e)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
aanstaande , anstaonde , zelfstandig naamwoord , de; aanstaande vrouw, man
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aanstaande , anstaonde , bijvoeglijk naamwoord , 1. komende, aanstaande 2. toekomstig
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aanstaande , aonsjtaonde , bijvoeglijk naamwoord , aanstaande , VB: aonsjtaonde zoondig goën v'r nao Lûik nao de Foire.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
aanstaande , [komende] , aanstaondje , aanstaande, komende
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
aanstaande , aanstaondje , (mannelijk/vrouwelijk) , verloofde
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
aanstaande , aanstaonjdje , zelfstandig naamwoord , aanstaonjdjes , aanstaande, verloofde
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
aanstaande , ònstònde , bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord , aanstaande; WBD III. 2. 2:84 'aanstaande' = jongen met wie een meisje verkering heeft; idem = meisje met wie een jongen verkering heeft
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal