elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanstrijken

aanstrijken , anstriekng , werkwoord , besmeren met verf
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
aanstrijken , aasjtrieke , sjtreek aan, haet of is aagesjtreeke , aanstrijken van een ziek lichaamsdeel met een geldstuk, dat later geofferd werd; scapulier of rozenkrans met heilig voorwerp in aanraking brengen. Als iemand ter bedevaart naar Kevelaar was geweest, zei men ook wel: “laot mich ’ns aasjtrieke”, om z
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
aanstrijken , anstrieken , strik an, an estrekken , 1. bijschilderen 2. doar kump’e anstrieken: wat heeft hij een verbeelding. 3. aanstrijken.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
aanstrijken , anstrieken , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. aanstrijken Zie hebt de muren met cement anstreken (Sle), Hij wol de lucifer anstrieken, mar hij was te slof. Het wol nich (Bco) 2. slaag geven (Zuidoost-Drents veengebied) Hij was ondeugend en toen hef zien va hum der hunlijk wat anstreken (Bov), …hum der een anstreken (Klv) 3. komen aanvliegen (Zuidoost-Drents zandgebied) Wat komp die vogel der mooi anstrieken in de vlucht naar beneden (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanstrijken , anstrieken , werkwoord , 1. aanstrijken: door strijken doen ontbranden 2. licht aanstrijken van een snaar 3. aansmeren 4. aan komen lopen 5. aan komen schaatsen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aanstrijken , [tegen en langs iets strijken] , anstrieken , (werkwoord) , bijschilderen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
aanstrijken , [even strijken] , aanstrieke , aanstrijken , Ei zwaegelke aanstrieke. Ich mót det plekske ouch nog effe mèt vèrf aanstrieke.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal