elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanvullen

aanvullen , aanvölle , völde aan, haet of is aangevölt , aanvullen; ophogen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
aanvullen , anvullen , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. aanvullen Most dien straotje even aanvullen met zand aanvullen (Vtm), De veren in de kussens anvullen (Pes), Wij moet de winterveurraod wat anvullen (Wed) 2. aanaarden (Zuidwest-Drenthe, zuid, be) Dat peerd stiet zo roem, die kun ie niet gebruken met eerappels anvullen (Geb), Wij hebt de eerappels schone, nou mut ze nog an evuld wörden (Koe), zie ook aneerden
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanvullen , anvullen , (werkwoord) , vullen an, an-evuld , aanvullen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
aanvullen , [aanvullen] , aanvölle , aanvullen
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal