elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanwaaisel

aanwaaisel , anwaisel , nagenoeg alle met de beteekenis van: klap, opstopper, opdonder, vuistslag, enz.; men geeft een abbabbel, drai, draier an de ooren; ’n wai, ’n anwaisel an de kop; ’n drai, ’n draier an de hals; ’n fleer an de bek; de overige zooveel als slag met hand of vuist in ’t algemeen; koantje ook voor: schop, opneuker voor: stomp; allen worden in ernst uitgedeeld.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aanwaaisel , anwaisel* , van anwaien, evenals ’t Fransche woord “soufflet” van “souffler” (zie J. S. Swaagman in de Annales Acad. Gron. van 1824 25.) Zie ook bldz. 498, alsmede labbabbel * en teut * en vergel. wai *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
aanwaaisel , anwèeisel , het, de , anwèeisels , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest Drenthe, noord, Midden-Drenthe, Veenkoloniën). Var. als bij wèeien = 1. ziekte, die je zomaar (van iem.) krijgt, meestal de griep (Midden-Drenthe, Zuidwest Drenthe, noord) Het zal wel een anweeisel weden, de griep geeit ja weer rond (Eex) 2. iets, dat is komen aanwaaien (Zuidwest Drenthe, noord, Zuidoost-Drents zandgebied) Wat heb wij een anweisel um het hoes liggen (Zwe), Die moderne fratsen bint anweisels uut de stad (Die) 3. draai om de oren (Veenkoloniën) Ast nait oppaast, krigst een aanwaaisel (Eco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal