elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanwas

aanwas , anwas , in aantogt, wordt gezegd van een verkoudheid.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
aanwas , anwas , de groei, het voortdurend groeien van planten en menschen; hij het karseboomen op anwas = zijne kerseboomen zijn nog jong, dragen nog geen vrucht; hij het ’n zeun op anwas = zijn zoon is reeds zoo oud dat hij hem na korte jaren in zijn bedrijf behulpzaam kan zijn, of ook: kan opvolgen; zij hebben drei kinder en ijn op anwas.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aanwas , aawas , mannelijk , aawės , aawėske , aanwas, toeneming.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
aanwas , anwos , anwös, anwas , anwossen , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook anwös (Zuidwest-Drenthe, zuid), anwas (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe) =1. groei, het wassen Ik krieg het straks beter, ik heb ain jong op aanwas dei straks ook wat mitverdainen kin (Twe), De kiender bint helder op anwos zijn in de leeftijd van twaalf tot veertien jaar (Dwi), Dat gres is mooi op anwos (Sle), ...in anwos het gras groeit al mooi (Noo), Wij binnen de zolters kwiet, maor we hebben al weer neien op anwos (Smi) 2. aangroeisel (Zuidwest Drenthe, noord) Daor zit een anwos an die boom (Wsv) 3. door verlanding ontstane aangroei (Zuidwest-Drenthe, zuid) ‘Vroeger werd in erg laag gelegen landerijen een dikke bos drijvende stukken met een paar stevige stokken aan de kant vastgezet. Dan groeide dat aan elkaar en zo kregen ze een mooie anwös’ (Dwij)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanwas , anwas , zelfstandig naamwoord , de, et 1. vreemde uitgroeiing aan het lichaam van mens of dier, aan een boom, tak of plant 2. groei, uitbreiding van een bedrijf, met name: vermeerdering van een bestand aan vee 3. nieuwe aanplant, toestand van gewas, bos waarin dat opnieuw groeit 4. aanhang 5. nieuwe leden van een vereniging
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aanwas , añwas , zelfstandig naamwoord , añwasse , añwassie , [O] vette rand van vlees
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal