elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aardappelkraal

aardappelkraal , eerappelkrallen , kralen, zaadvrucht van de aardappel
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
aardappelkraal , erpelkral , de , (Zuidoost-Drents zandgebied) = zaadbel aan de aardappelplant Die erpelkrallen moej der niet bij ingooien (Sle), zie ook piesappel
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aardappelkraal , eerpelkralln , vruchten aan de aardappelplant. Eerpelkralln bint vergifteg.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
aardappelkraal , [vrucht van de aardappel] , eerpelkralle , eerappelkralle , (zelfstandig naamwoord) , vruchtje van de aardappel na de bloei.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal