elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aardappelloof

aardappelloof , élleperloof , o , aardappelloof.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
aardappelloof , érpelelòf , loof van de aardappelplant.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
aardappelloof , jappelloof , aardappelloof.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
aardappelloof , erpelloof , het , aardappelloof Het stinkt, ze bint an het erpelloof branden (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aardappelloof , aerepellof , errepellof , zelfstandig naamwoord , aardappelloof Ze waere an ’t aerepellof verstooke, je stikte zôôwat, omdattut añgewind was Ze waren het aardappelloof aan het verstoken, je stikte bijna omdat de wind deze kant op stond
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
aardappelloof , èèrepellwôôf , aardappelloof
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
aardappelloof , èèrepellôof , zelfstandig naamwoord , aardappelloof; • WBD I:1471 loof v.d. groeiende aardappelplant; 1 'èèrepel-lôof'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal