elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ababbel

ababbel , abbabbel , labbabbel, lebabbel, kebabbel , nagenoeg alle met de beteekenis van: klap, opstopper, opdonder, vuistslag, enz.; men geeft een abbabbel, drai, draier an de ooren; ’n wai, ’n anwaisel an de kop; ’n drai, ’n draier an de hals; ’n fleer an de bek; de overige zooveel als slag met hand of vuist in ’t algemeen; koantje ook voor: schop, opneuker voor: stomp; allen worden in ernst uitgedeeld; Oostfriesch babbel, Holsteinsch baps = oorveeg. Zie: anwaisel.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ababbel , kebabbel , abbabbel*, labbabbel* , anwaisel* (zie bl. 498.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
ababbel , kababbel , kebabbel, kebaobel, keboebel , de , (Zuidoost-Drents zandgebied, Veenkoloniën, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook kebabbel, kebaobel (Zuidwest-Drenthe, noord), keboebel (Kop van Drenthe) = klap Ik zel die ain kebabbel an de kop geven dat de steerns die deur de ogen hen vlaigen (Vtm), ...dat het oe geel en gruun veur de ogen wördt (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal