elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: Abraham

abraham , oabram , (= Abraham) = kiep, eene soort van mand, die op den rug gedragen wordt, om er waren mee te venten, inzonderheid wittebrood en beschuit, zooals in de Ommelanden de bakkersknechten doen; oabram op de rug kriegen, in ’t algemeen: zijn kost zoeken te verdienen met bij de huizen waren te venten; inz.: het venten van wittebrood. Van vrouwen gezegd noemt men het, ook in ’t Oldampt enz.: mit de stoetkörf loopen, nl. met één of twee hengselkorven.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
Abraham , Oabram , TL 627, 628. Twee lemmata. De eerste brengt o.m. een “Scheldversje”: “Oabram, Izak en Joakob, / Dij atn mitnander ’n schoap op; / Oabram was nog lang nait zat, / En beet Izak ’n stok oet ’t gat.” Volgt andere versie die mij onduidelijk is. De geciteerde ken ik sedert mijn vroegste jeugd met ondergeschikte varianten. Interessant is voorts wat Ter Laan te berde brengt over OABRAM = bakkerskorf. Oabram op rog kriegn = zijn kost zoeken te verdienen met venten. Dit heb ik in “joods” verband nimmer ontmoet. De oorsprong is mij onbekend. Evenmin hoorde ik in joodse omgeving van OABRAMMIEM = vrouwennaam. En om het Woordenboek nog even te vervolgen, ook OACHAB komt in het joodse taaleigen niet voor.
Bron: Meijer, J. (1984). Tolk van ’t Olle Volk – Joods Supplement op het Nieuw Groninger Woordenboek van K. ter Laan. Heemstede
Abraham , Abraham , mannennaam. Ook: naam voor een speciale koek, vader Abraham voorstellende, bestemd voor de man die vijftig jaar wordt. Tevens naam voor een levensgrote, aangeklede pop die men doorgaans voor het huis plaatst van de man die vijftig jaar wordt.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
Abraham , Abraham , Aobram, Abram , Ook Aobram (Noord-Drenthe, Zuidwest Drenthe, noord, Zuidoost-Drents veengebied), Abram (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) = Abraham Hij wet woor Abraham de mosterd haalt weet, hoe het zit (Sle), Hij hef Aobram zeen is de vijftig gepasseerd (Dwi), ook gezegd bij een gedwongen huwelijk (Anl), van iemdie zich nogal wat verbeeldt (Anl), van een persoon, die na ernstige ziekte weer beter is geworden (Oud), van iemand die gestorven is (Wes), Hij hef Aobram nog ekend is erg oud (Zdw), Hij hef Aobram op de rug is een beetje lui (Rod)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal