elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: abram

abram , aobram , de , aobrammen , (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. grote, diepe mand van iemand die met koopwaren langs de huizen vent Ik weit nog best, dat e vrouger altied met aobram op rug bij ons kwam (Pei), Hij leup met de aobram op rug van Norg naor Roon (Wtv) 2. soort brood (Veenkoloniën) ‘Vroeger kenden de bakkers hier wel een zeker soort brood aobram genaamd’ (Vtm)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
Abram , Abraam , eigennaam , "Abraham; Abraham zien = 50 jaar worden; Naarus - Och wè zakkoe daor op antwoorde? Ge wit dè’k thuis as ""den elfde"" aongezet kwaamp bij ons Moederke, die echteluk den kraomtèd al jaore vurbij was. 'k Was nog ""’n plat jong"" toense Abraam zaag... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal