elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: achteraf

achteraf , achteraaf , buitenaf.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
achteraf , âchteraf , achteraf Ze wone nogal wiêd âchteraf Ze wonen nogal ver weg van het dorp; later, nadien. âchteraf ha’k ’r veul spiet af. later had ik er veel spijt van.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
achteraf , achterof , bijwoord , 1. Achteraf gelegen, afgelegen | Hai weunt puur achterof 2. Achteraf, naderhand | Achterof was ik er bloid om.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
achteraf , achterof , bijwoord , 1. afgelegen Hij woont door arg achterof (Bro) 2. op de achtergrond Hij höldt zich achterof (Hgv) 3. naderhand, later Aachterof weet ik wel, dat ik het niet gooud daon heb (And), Met het opmaken van de schade leek het achteraf wel met te vallen (Eri), Van achterof bekeken, had het wel hiel aans ekund (Zdw) 4. achter in geestelijke ontwikkeling (Zuidwest Drenthe, noord, Zuidoost-Drents zandgebied), in Hie stiet lang niet achterof (Sle), Hij is lang niet achterof (Smi) *Achterof kiek ie een koe in het gat achteraf praten heeft geen zin (Flu), ook Achterof kakelt de hoender (Ndo); Achterof is de allerdomste wies (Sle), zie ook achternao
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
achteraf , [afgelegen, na afloop] , aachteraf , afgelegen. hij weùnt wijd aachteraf, hij woont erg afgelegen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
achteraf , achteròf , achteraf
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
achteraf , achterof , achteraf. Wuule woont niet in ’t druk bewoonde gedeelte van de stad, meer achterof.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
achteraf , aachteraf , achteraf , Wa wóónde géij toch wiid aachteraf én dan ók nog hillemôl aachterôn. Wat wonen jullie toch ver achteraf en dan ook nog helemaal achteraan.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
achteraf , aachterof , bijwoord , 1. achteraf gelegen, afgelegen 2. naderhand 3. na (in tijd)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
achteraf , aachteraf , achteraf, afgelegen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
achteraf , aachteraf , achteraf.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
achteraf , achterof , (bijwoord) , 1. achteraf, ver van iets (in ruimte); 2. na afloop, later.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
achteraf , achteraaf , awteraaf , bijwoord , tweede vorm Ospels; achteraf, afgelegen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
achteraf , aachteraaf , bijwoord , "achteraf; 1. bepaling van tijd; Pierre van Beek – Tilburgse Taalplastiek 164: ""Aachteraaf kaokelen de kiepen"", zei de wat geïrriteerde kaartspeler, die zich na het spel door zijn ""maat"" voorgerekend zag hoe hij eigenlijk had behoren te spelen. Hij bedoelde dat het gemakkelijk praten is, wanneer men de gang van zaken kent .P. Heerkens S.V.D. – in: De Zaaier, een ontspanningsbijlage van de Nieuwe Tilburgsche Courant, 1941: Anneke wies ok nie goed wè ze zeggen zou; ze begreep aachteraaf ok nie waorom ze hum dieën brief te lezen ha gegeven en kreeg er een kleur van - wè heur mar zelden overkwaam en wè ze bizunder goed stond...; Lodewijk van den Bredevoort - Kosset den brèùne eigeluk wel trekken?; 2006: Hij schènt aachteraaf toch nog geld zat te hebben gehad. Dè kwamen zen kender nao zenne dôod pas te weten .Lechim – Gedicht van de week; de Tilburgsche Koerier (datum onbekend): We zulle mee de opruiming / 'n Nuuw pak vur jou kôôpe / En mee de kènder aachteraaf / Over de kermis lôôpe .Piet van Beers – Verzamelde gedichten #450: A'k't aachteraaf bekèèke moet / dan vierden wij de Kèrsmis goed .Van Rijen (1998): 'Aachteraaf kun de dè makkelek zègge, want hè wont nogal aachteraaf.'; 2. bepaling van plaats; Lodewijk van den Bredevoort - Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? (2); 2007: Deez, dè zo mar aachteraaf gaon ligge vrije, hasse toch hillemaol nie aachter die twee gezocht .Cees Robben – Wè aachteraaf... (19590912); Van Rijen (1998): '...hè wont nogal aachteraaf.'"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal