elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: achterblijver

achterblijver , aachterblie:ver , afgedwaald schaap.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
achterblijver , achterbliever , de , achterblievers , 1. achterblijver Op dei achterblievers kunt wie nich meer wachten (Bov) 2. bijenzwermpje dat als laatste nog van een korf komt (Zuidwest-Drenthe, zuid), zie ook achterlaot 3. dier, plant of persoon die achterblijft in groei of ontwikkeling Een laompien of een keugien dat mit de flessie wordt groot ebracht, is een achterblievertien (Hav)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
achterblijver , [persoon die niet meekan] , achterblievertien , (zelfstandig naamwoord) , achterblijvertje.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal