elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: achterdeur

achterdeur , achterdeuren , (zonder enkelvoud, met den klemtoon op: deu) = de deuren in het achterste deel eener boerenschuur; veur de achterdeuren (eener boerderij) = het plein of de ruimte achter de schuur (of: schuren).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
achterdeur , achtrduure , zelfstandig naamwoord , deur van de keuken naar buiten
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
achterdeur , achterdeur , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze hai is deur de achterdeur binnenkommen, hij is niet welkom, o.a. gezegd van een vrijer. – ’t Is de achterdeur uit, het is verspilling van tijd, geld of moeite. Verkleinvorm achterdeurtje, in de zegswijze ’n achterdeurtje houwe, zorgen voor een reserve, een uitwijkmogelijkheid.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
achterdeur , achterdeur , zelfstandig naamwoord , grote deur achterin een boerderij, komt uit op de *achterstraat (KRS: Hout) Zie hoofdstuk 4, punt 1: de boerderij . Zie ook *achteruitje en *achterhuis .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
achterdeur , [deur achter het huis] , achterdeure , grote deur als ingang tot de deel of de schuur.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
achterdeur , achterdeure , achterdeur; bij een boerderij wordt hiermee de hoge dubbele deur in de achtergevel bedoeld, de kleine deuren in die gevel worden de staldeuren genoemd.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
achterdeur , achterdeur , de , 1. achterdeur De achterdeur giet er is iemand bij de achterdeur (Bui), Die gaot de aachterdeure uut raken aan lager wal (Die), Het is makkelijk, dat men een achterdeurtien hef een andere dan de gebruikelijke mogelijkheid om iets te bereiken (Nam), Hij har de krap van de achterdeur hij had diarree (Pdh), Een kalf bij de achterdeur aangeven clandestien slachten (dc:Pei) 2. achterschot (Zuidwest-Drenthe, zuid) De achterdeure of het achterdeurtien is het achterschot van de varkensbrikke (Ker)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
achterdeur , achterdeure , achterdeur
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
achterdeur , achterdeure , (zelfstandig naamwoord) , achterdeur.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
achterdeur , achterduuer , (vrouwelijk) , achterdeur
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
achterdeur , aachterdeur , zelfstandig naamwoord , achterdeur; Henk van Rijen: lap èn leur komt aachter deur, dur de aachterdeur - het gewone volk komt achterom
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal