elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: achtergevel

achtergevel , achtergevel , de , 1. achtergevel Wij hebt neie deuren in de achtergevel kregen (Dwij), De achtergevel is met de novemberstörm inweid (Exl), zie ook het meer gebr. achtermuur 2. de schuin toelopende top van de achtermuur Dat is al een heil old hoes; op achtergevel stait van 1815 (Pei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
achtergevel , aachtergevel , zelfstandig naamwoord , de; gevel aan de achterkant
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
achtergevel , aachtergeevel , achtergevel
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal