elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: achterhand

achterhand , achterhanjt , vrouwelijk , achterhènj , achterhand (bij het kaartspel het laatst aan de beurt komen).
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
achterhand , achterhand , de , 1. achtergestel De koe vuulde goed in de aachterhaand (Dwi) 2. achterhand bij het kaarten Ik zat mooi in de achterhand en zo kun ik dei slag mooi oftroeven (Bov) 3. achterstand (Zuidoost-Drents zandgebied) Ze bint wal een beetien op de achterhaand kommen ze zijn tekort gekomen (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
achterhand , [laatste] , achterhandj , (vrouwelijk) , achterhand, het laatst aan de beurt , Bij kaarten: Hae zitj oppe achterhandj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
achterhand , aachterhaand , zelfstandig naamwoord , gez. óp de aachterhaand zitte - de laatste speelbeurt hebben (b.v. bij kaartspel.); A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): op d'aachterhand zitte - de laatste speelbeurt hebben; J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): ACHTERHAND zelfstandig naamwoord v. - Op de achterhand zitten - bij kaartspelers: de laatste [kaart] moeten spelen.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal