elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: achterkamer

achterkamer , achterkamer , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Bij de visserij. De kub van een fuik; zie kamer.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
achterkamer , [kamer achterin] , achterkamer , in de uitdrukking in zijn achterkamer zijn : geestelijk niet aanwezig zijn, niet te benaderen zijn (KRS: Coth, Bunn, Hout); ‘Je mot ’m nou geen vragen stellen, hij is in z’n achterkamer.’ (Hout) Met een wat andere betekenis (terneergeslagen, angstig, bedrukt zijn) ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 28).
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
achterkamer , achterkamer , de , 1. achterkamer, soms ook alleen de keuken waarin men kookte, niet die waarin men woonde. De achterkamer is meestal onderdeel van een burgerwoning, bij boerderijen is achterkamer in bet. 1. een vrij modern woord De jongelu woont in de aachterkaemer (Die), Laot wij mor in de achterkamer gaon zitten, daor is het mooi rustig (Man), Ie kunt van de achterkaemer zo hen de dele (Wsv), De aachterkaomer was vrouger de aachterkeuken (een woon- en kookkeuken), doe stun daor de kookkachel (And), In de achterkamer zitte wij altied te èten (Eli), As der volk is, dan moeten de kinder in de achterkamer speulen (Eri), Ein van de kinder sleup in het aachterkaomerie under het ofdak achter op de zolder (Vri) 2. kamer waar men de was deed (Zuidoost-Drents veengebied) De achterkamer was ien de boerderij de waskamer (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal