elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: achterkeuken

achterkeuken , achtrkùkng , zelfstandig naamwoord , bijkeuken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
achterkeuken , achterkeuken , de , 1. achterkamer in boerenhuis, waar men woonde en tevens kookte; er werd meestal ook gegeten en soms ook gespoeld en gewassen (eertijds alleen in zeer grote boerderijen); soms ook gezegd van kleine kamer naast keuken met ramen in de voorgevel of alleen kamer, waar werd gewassen en gespoeld De aachterkaomer was vrouger de aachterkeuken; doe stun daor de kookkachel (And), In de aachterkeuken zatten wai te eten, maor ’s aovends zat wai in de veurste kaomer (Pei), In de achterkeuken stiet moe te koken (Wee) 2. het vertrek achter de keuken, bijkeuken (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Veenkoloniën, Midden-Drenthe), zie ook pompstraot, geut
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
achterkeuken , aachterkeuken , zelfstandig naamwoord , de; bijkeuken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
achterkeuken , [bijkeuken] , achterkuueke , (vrouwelijk) , achterkeuken, bijkeuken
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal