elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: achterkop

achterkop , achterkop , mannelijk , achterköp , achterköpke , achterhoofd.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
achterkop , achterkop , hooi aan de achterkant van de wagen waar de wezenboom op kwam te liggen; dit werd gedaan om te voorkomen dat de wezenboom krom zou trekken.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
achterkop , achterkop , de , 1. achterhoofd Hie hef een dikke achterkop (Zwe), Hij is nich op zien achterkop vallen goed bij (Nsch) 2. de achterste steunlat onder het raam van de hooiwagen (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Der was een aachterkop en een veurkop twee stevige, liefst gezaagde houten regels, bij voorkeur eikenhout, lang ong. 1.70 à 1.80 m., die dwars over de ledders worden gelegd, één achter en één voor, boven voor- en achterstel, voorzien van ijzeren beugels, waardoor de rikstokken worden gestoken. Met elkaar is dit een heuirik (Taa) 3. achterstel van boerenwagen (Zuidoost-Drents veengebied) 4. losse achterwand van boerenwagen (Zuidwest-Drenthe, zuid) 5. hoop hooi of rogge die hoger ligt dan de rest, achterop een voer, onder de weesboom (Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe, Zuidwest Drenthe, noord) Op een voer rogge of heui zetten wij een aachterkop en veurkop, ongeveer 6 garven (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
achterkop , aachterkop , zelfstandig naamwoord , de; achterste stuk van een hooiraam
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal