elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: achterpand

achterpand , achterpanjt , onzijdig , achterpanjer , achterpĆØnjtje , achterpand.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
achterpand , achterpaand , achterpand , het, de , achterpand Ik heb de aachterpaand van de trui klaor breid (Eke); achterpand, 1. achterpand van kledingstuk De snieder was net mit het achterpand an het wark (Bov) 2. bips (Veenkoloniƫn)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
achterpand , [achterpand] , achterpandj , (onzijdig) , 1. achterpand, bij kleding 2. achterliggend pand bij bebouwing
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal