elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: achterschip

achterschip , achterschip , het , 1. achterschip As ie ien het achterschip wilt, meut ie deur het roem (Bov), Most even in het achterschip kommen, de koffie is klaor (Erf), In het achterschip der mit (Dwi) 2. deel van een kerk (Zuidwest-Drenthe, zuid, Veenkoloniën) Ik heb oe in de karke niet eziene. Nee? Wij zaten in het achterschip (Zdw) 3. (Zuid-Drenthe), in uitdrukkingen als in het achterschip raken etc. achterop raken As ij de aandern heeilendal geworden laot, kom ij zölf in het aachterschip in een minder gunstige positie (Eex), Zien breur hef zien olden nogal wat centen ekost; zodoende is hij in het achterschip ekomen (Hgv), Hij komp mit betaelen in het achterschip (Wsv), ...met het achterschip is te laat (Zwe), Hij kon nog net in het achterschip komen hij was eigenlijk te laat (Dal), Aj meer geld uutgeven dan aj inkommen hebt, dan kooj ien het achterschip raak je in de financiële problemen (Stu)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
achterschip , [achterste deel van een schip] , achterskip , (zelfstandig naamwoord) , achterschip.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal