elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: achtertouw

achtertouw , achtertouw , touw aan de achterkant van de wagen om in combinatie met het voortouw en eventueel met de wezenboom hooi of rogge op de plaats te houden.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
achtertouw , achtertouw , touw (bevestigd aan de achterkant van de wagen) dat over een vracht hooi of koren werd gespannen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
achtertouw , achtertouw , het , (Zuidoost-Drents zandgebied) = touw aan de achterzijde van de wagen bij het binnenhalen van de oogst, z. ook achterriep
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
achtertouw , achtertouw , uitdrukking , Int achtertouw zijn Achterlopen Hij was in ’t achtertouw messun werk en knap in ’t achtertouw messun betaolinge Hij liep achter met zijn werk en was behoorlijk achter met zijn betalingen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal