elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ademig

ademig , aomig , bijvoeglijk naamwoord , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) = 1. kortademig Ie möt niet zo veule roken, ie wordt er maor aomig op (Dwi), Hij kan zien wark nog wal doon, mor is toch gauw aomig (Hijk), Bij mistig wèer is e aordig aomig (Val) 2. lucht bevattend (Midden-Drenthe) Het uur is aomig er zit lucht in de uier (Gas), zie ook aodem
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ademig , aomig , bijvoeglijk naamwoord , kortademig
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal