elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afbekken

afbekken , ofbekken , grof tekeer gaan tegen iemand.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
afbekken , ofbekken , zwak werkwoord, overgankelijk , afsnauwen Bekt oen moe toch altied niet zo of (Flu), Die man bekte de hond of (Coe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afbekken , òfbekken , brutale mond geven
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
afbekken , [afsnauwen] , ofbekken , (werkwoord) , bekken of, of-ebekt , afbekken, afsnauwen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal