elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afhechten

afhechten , afheften , (ofheftǝ) , (zwak werkwoord, transitief) , Afhechten. Zie Ned. Wdb. I, 1020. en vgl. heften. || Ik moet nog effe die draad ofheften.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
afhechten , ofhefte , werkwoord , Variant van afhechten (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
afhechten , ofhechten , zwak werkwoord, overgankelijk , afhechten Wij bint zo klaor met het brèeien, wij moet het nog even ofhechten (Sle), Dizze trui nog even ofhechten, dan is e klaor (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afhechten , ofhechten , werkwoord , 1. afhechten 2. loskoppelen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal