elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afjakkeren

afjakkeren  , aafjakkere , afbeulen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
afjakkeren , afjakkere , met kracht (een traject) afleggen, snel verslijten Ge mot dieje fiets nie zò afjakkere!
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
afjakkeren , ofjakkere , werkwoord , Ook: door intensief en ruw gebruik een voertuig vernielen. | Hai het die auto in ’n maand ofjakkerd.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
afjakkeren , ofjakkern , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. afjakkeren Op fiets kuj een heil ende ofjakkern afleggen (Row), Die fiets is zo ofjakkerd, je moet ofgemieterd trappen um veuroet te kommen (Anl), Hij jakkert er wat an of (Dwi), Ai mout dat peerd niet zo ofjakkern afbeulen (Eev), Hie hef zuk hielmaol ofjakkerd heeft te hard gewerkt (Sti), Dat kiddegie zag er ofgejakkerd oet (Eke) 2. afsnauwen, stevig berispen (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Toen e dat weer zee, he’k hum toch even flink ofjakkerd (Pdh), Met zo’n bosschup heuf ik niet bij mien va te kommen. Bliksem, dan weur ik good ofjakkerd (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afjakkeren , ofjakkeren , werkwoord , 1. te snel en vluchtig verrichten 2. heel veel werken 3. doodmoe doen worden door te veel, te hard laten werken, vooral inzake paarden en personen 4. afrijden, nl. door intensief gebruik of jakkerend rijden 5. voortdurend grote afstanden afleggen, veel rijden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal