elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afkoker

afkoker , ofkouker , zelfstandig naamwoord de , Zonderling, grapjas.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
afkoker , ofkokkers , aardappelen die snel tot pap koken.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
afkoker , ofkoker , de , ofkokers , afkoker Dizze eerappels moej bijtied ofgeten, aans versottert ze; het bint ofkokers (Bei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afkoker , òfkokers , afkokende aardappelen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
afkoker , [soort aardappel ] , ofkaoker , (zelfstandig naamwoord) , aardappel die afkookt.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal