elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afkomst

afkomst , [geslacht] , afkomst , voor een geslacht, familie.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
afkomst  , aafkôms , afkomst.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
afkomst , aafkóms , mannelijk , afkomst. Zie ook: kómaaf.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
afkomst , ofkomst , de , afkomst IJ moet aaid en overal an je ofkomst dèenken; doe je niet meer veur dan aj bint (Eex), Niks van ofkomst, maar wel een stok verbeelding an de konte (Hav)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afkomst , ofkomst , zelfstandig naamwoord , de; afkomst
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
afkomst , ofkomst , (zelfstandig naamwoord) , afkomst. Zie ook: komof.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal