elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aflangen

aflangen , oflangen , afsteken, geld geven.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
aflangen , [aanreiken] , òflangen , (zwak werkwoord) , aanreiken.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
aflangen , oflangen , afgeven, overgeven aan een ander, van iets vrijwillig of gedwongen afstand doen ten behoeve van een ander; ie mouten dat paktje bie Vos oflangen; zij wōllen de brijf nijt oflangen moar eerst geld hebben. Zie: anlangen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aflangen , oflangen , zwak werkwoord, overgankelijk , (Noord-Drenthe) = afgeven Aj toch langs de baank kompt, wooj dit dan wal even oflangen? (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal