elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afploegen

afploegen , ofploegen , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. klaar komen met ploegen Ik heb eerst dat stuk laand ofploegd en toen bin ik hen hoes gaon (Wee) 2. naar buiten ploegen met een open middenvoor (Zuidoost-Drents zandgebied) Mu’k de akker opploegen of ofploegen? (Coe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afploegen , ofploegen , werkwoord , 1. heel veel ploegen 2. in het midden van de akker beginnen en per vore steeds meer naar de zijkanten ploegen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
afploegen , afploege , zwak werkwoord , WBD (Hasselt) uiteenploegen (tegengestelde werkwijze aan de vorige keer); - afploege - ploegde(n) aaf - afgeploegd; A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): afpluge(n), zie: afplu.uge(n), zw.ww.tr. afploegen; van een grotere akker een veld afploegen zodat het door een flinke voor ervan gescheiden is.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal