elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afrabbelen

afrabbelen , afrebbele , Gaûw éfkes de rózzekrâns afrebbele en dan... bédtoe! heel snel het Rozenkransgebed zeggen.... en dan naar bed!
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
afrabbelen , ofrabbeln , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. afraffelen Hij hef dat gebed gauw even ofrabbeld (Klv), ...het varsie ofrabbeld (Eli), ...het gedicht ofrabbeld (Gro), ...de jaortallen ofrabbeld (Rui) 2. slordig afwerken Hie hef dat wark gauw even ofrabbeld; hie hef de hoeken niet ofwarkt (Sle) 3. (wederk.) zich ervan afmaken (Veenkoloniën) Doe most beter schrieven, doe most die der nait ofrabbeln (Vtm), Hij rabbelt zuk gauw van het waark of (Ros)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afrabbelen , ofrabbelen , werkwoord , 1. vluchtig, snel en slordig afmaken, afraffelen 2. heel veel roddelen, kletsen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal