elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afrijden

afrijden , ofrieden , (klemtoon op: rie) = zekeren afstand rijdend afleggen; van Warfêm over Zoltkamp en zoo wieder deur de Bildstreken noa Harlingen ken we best in ijn dag ofrieden, zooveel als: met twee paarden kan men die reis best in één dag doen. Zie: ofrekken en: ofloopen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
afrijden , ofrieden , (klemtoon op: of) (= afrijden) = in de hardrijdersbaan overwinnen, zoodat het overwonnen (het ofreden) paard van de lijst kan worden geschrapt; Goliath het de Nette ofreden. Gewoonlijk wordt alleen het deelwoord gebruikt. Zie onder art. leden [en ook] ofloopen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
afrijden  , aafrieje , rie, ries, riet, rej, gereje , afrijden.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
afrijden , ofraaie , werkwoord , Rijexamen doen. | Wanneer moet je ofraaie?
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
afrijden , ofrien , ree of, of erene , afrijden.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
afrijden , ofrien , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. afrijden Ik gao die olde fietse helemaole ofrien (Die) 2. africhten Die kerel hef er slag van um een jong peerd goed of te rieden (Eli) 3. moe maken Veurdat de peerde in de baon kommen, gaon ze ze ofrieden (Nor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afrijden , ofrien , de loef afsteken.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
afrijden , ofrien , afrijen. Uitvlakken van betonvloeren. Hie mos de boch van de skeelerpiste ofrien.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
afrijden , afgereeje , afgereden , Bèèter ‘n aauw pérd kepot, és ne jónge de nék afgereeje. Beter een oud paard door dan een jong de nek afgereden. Het is beter zwaar werk door een sterke kerel te laten doen, dan door jongeren die dat lichamelijk niet aankunnen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
afrijden , ofrieden , werkwoord , 1. wegrijden 2. naar beneden rijden 3. het praktische deel van het rijexamen afleggen 4. geheel rijden 5. in alle richtingen doorrijden 6. zo lang rijden met/op, dat het voertuig enz. onbruikbaar is geworden 7. africhten, langdurig rijden op (een paard)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
afrijden , afgereeje , in uitdrukking, “‘k eb ‘t gras afgereeje”, “ik heb het gras gemaaid”.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
afrijden , [zich rijdend verwijderen] , ofriejen , ofrieden , (werkwoord) , afrijden.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal