elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afruimen

afruimen , afrume , afdekken De toffel afrume De tafel dekken.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
afruimen , ofruum , ruum of, of eruumd , afruimen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
afruimen , ofrumen , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. afruimen Gauw nog even de taofel ofrumen en dan kuw vort (Pdh) 2. opruimen (Zuidwest-Drenthe, zuid) Ik mut de dèle nog ofrumen (Uff), z. ook oprumen, ofreddern
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afruimen , ofrumen , ofroemen , werkwoord , afruimen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
afruimen , [wegruimen] , ofrumen , (werkwoord) , afruimen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
afruimen , aafrume , aafruûme , werkwoord , eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); afruimen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal