elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afscheiding

afscheiding , ofschaiden , afscheiding, nl. in kerkelijke zaken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
afscheiding , ofscheiding , de , ofscheidings , 1. afscheiding Dat is een mooie ofschaiding, zo’n heeg (Rod) 2. scheiding De sloot is de ofscheiding (Eri), Ze kunden de ofschaaiding haost niet meer vinden (Row) 3. uittreding De ofscheiding in Dwingel was in 1834 (Dwi), De ofscheiding van die vereniging was niet neudig west (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afscheiding , afschèèjing , perceelsgrens, afscheiding
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
afscheiding , afschaajing , zelfstandig naamwoord , WBD akkerscheiding (grens tussen twee stukken grond), ook 'scheiing' en (Hasselts) 'schaaj' genoemd; Frans Verbunt: schutting, hek; WBD III.4.4:202 'afscheiding' = scheiding, ook'schei'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal