elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afschieten

afschieten , ofschijten , (= afschieten), voor: afsteken van een vuurwerk, bv. van zwervers: swarms ofschijten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
afschieten  , aafscheete , scheet, schüts, schüt, schoot, geschaote , afschieten.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
afschieten , afschiête , betalen Héj schiet mar slècht af. Hij betaalt maar slecht.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
afschieten , ofskiete , werkwoord , Ook: 1. Erges mee beginnen, mee voor de dag komen. | Nou, skieteres of, wat hei je allegaâr te vertellen? 2. Regelen, oplossen. | Dat skiet je zelf maar of, ’oor! Vgl. de zegswijze zelf z’n roer ofskiete. 3. Op (ver)gevorderde leeftijd komen. | Hai zel onderhand ok al puur ofskiete. Hai zel wel zowat tachtig weze, denk? Zegswijze ’t leuk (raar) ofskiete, raar of onverantwoord bezig zijn. – ’t Er niet gek van ofskiete, het er behoorlijk van afbrengen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
afschieten , ofschieten , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. afschieten Der was zo weinig volk in de karke, ie kunden er wel een kanon ofschieten (Ker) 2. afsteken (Zuidwest-Drenthe) Zult ze aoldejaorsaovend weer zoveule vuurwark ofschieten? (Ruw) 3. neerschieten Hoevöl harten mugt ze dizze harfst ofschieten? (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afschieten , ofschieten , sterk werkwoord, overgankelijk , afscheiden Wij hebt een stukkien van het hoffien ofscheuten (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afschieten , [betalen] , afschiéten , betalen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
afschieten , òfskieten , òfskîêten , (Kampen) afschieten. Ook: òfskîêten (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
afschieten , afschiete , afschieten, betalen , De jaogers moete nog’ges wa kniin afschiete, ze frèète hil de waoje kaol. De jagers moeten nog eens wat konijnen afschieten, ze vreten al de weilanden kaal.
De mènse hébbe géld zat teegewórreg, mér dörrum duun ze nog nie aalté afschiete. Men heeft geld genoeg tegenwoordig, maar daarom betalen ze nog niet altijd.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
afschieten , ofschieten , werkwoord , 1. afvuren 2. van iets af doen vallen door goed te vuren 3. door te schieten doden 4. overtollig wild schieten 5. heel veel schieten 6. snel gaan naar 7. naar beneden schieten, zich snel van iets laten vallen, plotseling vallen 8. afschampen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
afschieten , aofsjete , werkwoord , afvuren , (zie 'sjete') VB: Mêt de buks 't waaspênneke van de liévensdraod aofsjete. Zw: 'r Hèt de voëgel aofgesjoëte: hij is moeten trouwen. Zw: Dè sjut oüch neet de voëgel aof: hij is niet een van de slimsten.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
afschieten , [schieten, betalen] , afschíéte , betalen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
afschieten , afschiejte , geld geven, afschieten , Flink afschiejte. Veel geld geven.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
afschieten , aafsjete , afschieten , De vogel aafsjete bie ’t kuueningssjete.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
afschieten , afschiete , sterk werkwoord , afschiete - schôot aaf - afgeschoote; , betalen, over de brug komen, over de brug komen met geld; Et wier tèèd dèttie afschoot. - Het werd tijd dat hij over de brug kwam .Cees Robben – En dek nie gemak afschiet... (19591107); Cees Robben – En assie is afschiet.. Nou dan kan ’t (...) op unne wetsteen... (19650416) [... dan is het heel magertjes]; ? Als het werkwoord gesplitst wordt, wordt ‘af’ verlengd: Cees Robben – Alleej dan meensen... schiet is aaf... [bijdrage leveren aan inzamelingsactie] (19650326); Frans Verbunt: de Carnavalsstichting kent als donateurs: De scheutege afschieters; WBD III.5.1:115: 'afschieten','over de brug komen' = betalen; A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): st.ww.tr. afschieten l) geld geven bij wijze van douceur, 2) betalen: ik zoo mar is afschiejte .Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) – AFSCHIETEN, een geweer e.d. - ; het zeel is afgeschoten (= losgeraakt); hij kwam den trap afgeschoten (in hollende vaart) .J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): AFSCHIETEN - betalen; bij landb.: den stal afschieten = afdoen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal