elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afschilferen

afschilferen , ofschilfêrn , het afvallen der opperhuid, bv. bij een negenoog, bij mazelen, roodvonk, enz. Vgl. v. Dale art. afschilferen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
afschilferen  , aafschielvere , schielver, schielvers, schielvert, schielverde, ge , afbrokkelen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
afschilferen , ofschilfern , zwak werkwoord, onovergankelijk , schilferen Mien hoed schilfert of (Gas), Koppies kunt wel ies ofschilfern (Wtv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afschilferen , ofschilferen , werkwoord , 1. afvallen, uiteenvallen in schilfers, in schilfers loslaten 2. in schilfers ontdoen, in schilfers afnemen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal