elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afschoffelen

afschoffelen , afschoefele , schoffelen Ik mot d’n bocht nog afschoefele Ik moet het onkruid nog schoffelen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
afschoffelen , ofschoffeln , zwak werkwoord, overgankelijk , afschoffelen Melde moej ofschoffeln veurdat er zaod in komp (Emm), Onze stadse buurvrouw hef alle slaot of eschoffeld (Hav), Dai is zo klain, dai is wel ain paor maol ofschoffeld gezegd van een klein kereltje (Twe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afschoffelen , ofschoffelen , werkwoord , 1. bij het schoffelen afsnijden 2. veel schoffelen 3. het schoffelen afmaken 4. afschepen, afhouden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal