elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afschrijven

afschrijven , ofschrieven , (= afschrijven); door eene formaliteit verdrijven; bezweren van de koorts; doe mōst de koors (of: koorse) ofschrieven loaten = gij moet door een persoon, die daarvoor de gave bezit, de koorts laten bezweren. Dit geschiedt o.a. door het maken van kerven in een’ boom; gewoonlijk is dit zeggen niet gemeend. Oostfriesch ofschrieven = door een schrift wegtooveren; dat feber ofschrifen = ên de kolle ferdrifen. Holsteinsch en fieber afschrieven = aan de zoldering (waar de koortslijder zich bevindt), schrijven: Fieber, bleib aus, N.N. ist nicht zu Haus. – Ook met den klemtoon op: schrie, en dan zooveel als: zoo snel kunnen schrijven; ik ken’t nijt ofschrieven = ik kan u niet bijhouden, gij moet langzamer dicteeren.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
afschrijven , aafsjrieve , sjreef aaf, haet of is aafgesjreeve , afschrijven.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
afschrijven , ofschriem , schreef of, of eschreem , afschrijven.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
afschrijven , ofschrieven , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. afschrijven Dizze bladziede wil ik nog ofschrieven en dan gao ik mit (Nsch), Wij hebt oeze kennissen maor ofschreven, het kwam oes niet zo goed oet bericht gegeven, dat wij niet kwamen (Bui), Wij moet die auto in vief jaor ofschrieven (Eke) 2. afhalen IJ moet er mor duzend gulden ofschrieven van de rekening (Sle) 3. als verloren beschouwen, uit het hoofd zetten Die post kunne wij gerust ofschrieven, die stumper kan nooit weer betalen (Eli), Dat maegien hef hum of eschreven (Wap) 4. uitschrijven (Zuidwest-Drenthe, zuid) Schrieft oes mar of, wij wilt niet langer lid blieven (Mep) 5. (veend.) bewerken van de baggerlaag met een ofschriever (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid), z. ook ofschoeven
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afschrijven , ofschrieven , werkwoord , 1. het geld van een bankrekening e.d. doen gaan 2. als waardevermindering of verlies boeken 3. in een aftrekpost onderbrengen 4. als verloren beschouwen 5. schriftelijk afzeggen 6. ten einde schrijven 7. door veel schrijven meer en meer onbruikbaar maken 8. veel, vaak schrijven 9. overschrijven 10. met een potlood e.d. uitzetten, aftekenen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
afschrijven , aofsjriéve , werkwoord , overschrijven , (zie 'schrijven') VB: Dè koejoûng hèt dat wérk aofgesjriëve.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
afschrijven , [aftrekken] , ofskrieven , (werkwoord) , afschrijven.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
afschrijven , ofschrieven , iemand laoten ofschrieven, het overlijden van iemand aangeven.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal