elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afschuimen

afschuimen , afschume , afschuimen, afstropen Die straotjong schume alle kermisse af Alle kermissen afschuimen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
afschuimen , ofschoemen , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. schuim verwijderen Ik heb de soep ofschoemd (Sle) 2. afstropen Hij schoemde de heile buurt of as het neijaor was (Pei), De antiekkopers hebt het hele plattelaand of eschoemd (Noo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afschuimen , ofschoemen , werkwoord , 1. schuim van iets afnemen, afhalen 2. naar veel, alle plekken gaan om te vinden wat men wil hebben, om te doen wat men wil
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
afschuimen , [ontdoen van onzuivere stof] , ofskumen , ofskoemen , (werkwoord) , 1. afschuimen, afscheppen. ‘t Ofskumen met de (gagies)slieve; 2. afborstelen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
afschuimen , ofschonzen , afschuimen (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal