elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afsjouwen

afsjouwen , ofsjouwe , werkwoord , 1. Aflopen. | Ik hew heêl Hoorn ofsjouwd voor ’n nuwe skemerlamp. 2. Totaal afdragen, door ruw en intensief gebruik verslijten. | Hai het die jas finaal ofsjouwd. Vgl. Fries ôfsjouwe.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
afsjouwen , ofsjouwen , zwak werkwoord, overgankelijk , aflopen Ik gao veur die bosschop niet het hiele dorp ofsjouwen (Ker), Ik kan het hiel darp ofsjouwen met die collectebus (Sti)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afsjouwen , afsjouwe , zwak werkwoord , uitputten; En daansen as ze kan! Ze wit van gin uitschaaien en ze sjouwt oe aaf as 'nen hond in 'nen botermeulen. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 9; 22-02-30)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal