elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afslager

afslager , ofslager , ofslaoger, ofslaeger , de , (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook ofslaoger (Noord-Drenthe), ofslaeger (Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. afslager bij een verkoping Het was mor net de muite weerd um der een ofslaoger bij te haolen (Eel) 2. vrijer die een meisje opeist van haar jongen (ti, hi) Ik was bang dat er alweer een ofslaoger ankwam (ti), z. ook bij buut
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afslager , ofslaeger , ofslager , zelfstandig naamwoord , de; afslager
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
afslager , aofsjlèger , zelfstandig naamwoord mannelijk , aofsjlègers , - , openbare verkoper
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
afslager , afslaoger , zelfstandig naamwoord , Van Rijen (1998): veilingmeester
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal