elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afsluiter

afsluiter , ofsluter , de , ofsluters , Var. als bij sluten = 1. (af)sluiting De krane lekt, de ofsloeter is kepot (Bov), Wij moet een neie ofsluter bij het hek hebben (Dro) 2. persoon die iets afsluit (Zuidoost-Drents veengebied) De ofsloeters meut vandage an de pad um de wanbetalers of te sloeten (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afsluiter , [lichtschakelaar] , afsluiter , lichtschakelaar.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
afsluiter , ofsluter , zelfstandig naamwoord , de 1. degene die afsluit 2. lied, anecdote etc. waarmee men een feest, een officiële bijeenkomst e.d. afsluit 3. werktuig, voorwerp of onderdeel waarmee men iets afsluit, dicht doet zijn
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal