elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afspelen

afspelen , ofspeulen , afmaken, vrijmaken, van ontslaan (van iets of iemand); ’k heb mie d’r mit ’n mooi proatje ofspeuld. Zie: ofloopen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
afspelen , ofspeulen , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. afspelen Der hef zuk hielwat ofspeuld in tied dat ik weg west bin (Oos), Dat toneelstuk speult zuk rond die tied of (Val) 2. draaien van muziek Die mooie plaete laoj vaeke ofspeulen (Uff)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afspelen , ofspeulen , werkwoord , 1. ten einde spelen, geheel afspelen 2. heel veel spelen 3. gebeuren, plaatsvinden 4. doen gebeuren, laten verlopen 5. als voorstelling plaatsvinden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
afspelen , ofspöllen , (werkwoord) , afspelen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
afspelen , [afspelen] , aafspuuele , afspelen , ’t Stök waas nog neet aafgespuueldj of ze begóste al te klappe. Dao haet zich vreuger hieël get aafgespuueldj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal