elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afstand

afstand  , aafstand , afstand.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
afstand , aafsjtanjt , mannelijk , aafsjtènj , aafsjtènjtje , afstand.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
afstand , ofstand , ofstaand , de , ofstanden , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook ofstaand (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = 1. afstand Dat was nogal een hiele ofstand, diej lopen hebt (Sle), Dei man, dei meuj op een ofstand holden (Bov) 2. in ofstand doen afstand van iets doen Ze kan barre slecht ofstaand doen van heur spullen (Hgv) *Ofstanden binnen der niet meer, zee Jan, doe e een dreiwieler kreeg (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afstand , òfstand , òfstaand , (Kampen) afstand. Ook: òfstaand (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
afstand , ofstaand , ofstand , zelfstandig naamwoord , de 1. het opgeven van het bezit van iets, de aanspraak op iets e.d. 2. tussenruimte tussen twee punten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
afstand , aofsjtaand , zelfstandig naamwoord mannelijk , aofsjtan , aofsjtejnsje , afstand , VB: D'n aofsjtaand van Groéselt nao Mesjtreech ês oongevèr 6 km.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
afstand , [verwijderdheid] , ofstand , (zelfstandig naamwoord) , afstand.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
afstand , afstaand , zelfstandig naamwoord , afstand; Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): afstaand; Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) – AFSTAND, afstant zelfstandig naamwoord m.: afstand doen; iemand op afstand houden; DISTANTIE - distanse, zelfstandig naamwoord vr. Wordt meer gebruikt dan 'afstant'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal