elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afsterven

afsterven , afstèèreve , sterven (van een plant).
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
afsterven , ofstärven , 1. afsterven. 2. door de dood ontvallen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
afsterven , ofsterm , sterm of, of estörm , afsterven.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
afsterven , ofstarven , sterk werkwoord, onovergankelijk , afsterven De erpel starft al mooi of (Sle), Vleden joor is hum de vrouw ofstörven (Bov), De blooumen bint an het ofstaarven (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afsterven , ofstârvm , ofstarvm , 1. afsterven. As der van ofstârvm spraoke is, dan wordt er bie mensn edach an stârvm in vertrouwm op de hemel. Zie zek dan “Wat is die man toch goed ofestörvm”. 2. afsterven, verwelken. De koppm van de boomm bint ofestörvm.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
afsterven , ofstarven , werkwoord , afsterven
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
afsterven , ofstärven , (werkwoord) , afsterven.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
afsterven , [afsterven] , aafsterve , afsterven , Ei verke laote aafsterve oppe leier.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal