elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aftands

aftands , aftandsch paard , Aftandig paard. Een paard dat de melktanden verloren heeft, en niet langer wisselt, maar zijn volkomen (blijvend) gebit heeft. Dit geschiedt – als wanneer deze dieren ook hun volle kracht en volkomen wasdom hebben bereikt – meen ik, als ze om de drie jaren oud zijn. Overdrachtig op een mensch toegepast, heeft aftandig eene heel andere beteekenis, en wordt het gezegd van iemand, die door ouderdom zijn tanden verloren heeft, die zijn besten tijd heeft gehad en sufferig en dutselig wordt; van daar ook de spreekwijze: ‘Hij is of hij raakt van den tand,’ voor: de puntjes zijn er af, hij is versleten.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
aftands  , aaftands , aftands.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
aftands , aftâns , aftands ’t Waar ’n aftâns oûw wiêfke. Het was een aftands oud vrouwtje.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
aftands , oftands , oftandig, oftand, oftaand , bijvoeglijk naamwoord , Ook oftandig, oftand, oftaand (wb). Var. als bij tand = 1. de tanden gewisseld hebbend Met aacht jaor is een peerd optaands (Anl), As een peerd oftands was, was de olderdom nich zuver meer vast te stellen (Bco), Die koe is oftandig (Dwij) 2. versleten Hie ree mij daor op een oftaandse fiets, het was eein bonk roest (Eex), Dat mèensch döt niet mèer met, die is al oftaands op alle fronten versleten (Sle), Die jurk is zachiesan oftaands (Hol), z. ook ofstandig
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aftands , aftands , paard ouder dan 8 jaar.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
aftands , oftaans , oftaand , bijvoeglijk naamwoord , 1. aftands: gezegd van een paard dat volledig heeft gewisseld zodat aan de tanden niet meer te zien is, hoe oud het is 2. met geen, weinig of versleten tanden; ook: tijdelijk zonder tanden, door wisseling 3. oud en versleten 4. veel verteld en daardoor afgesleten, clichématig
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aftands , aftaands , bijvoeglijk naamwoord , aftands; N. Daamen - handschrift 1916 - 'aaftaands' - iemand van zekeren leeftijd
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal