elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aftroeven

aftroeven , aaftroeve , troefde aaf, haet of is aafgetroef , aftroeven.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
aftroeven , oftroem , troem of, of etroefd , aftroeven.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
aftroeven , oftroeven , oftroeveln , zwak werkwoord, overgankelijk , Ook oftroeveln (Zuidoost-Drents zandgebied in bet. 2.) = 1. aftroeven Ie meut joen maot nooit oftroeven (Bov) 2. slaag geven Der wadden tweei getugen, die zeein hebt dat dat kerelie oftroefd wur deur die grote gofferd (Eex), z. ook ofdörschen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aftroeven , aftroeve , het gras voor de voeten wegmaaien, overbluffen.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
aftroeven , [te vlug af zijn] , aaftroeve , aftroeven , Hae haet ’m de slaag aafgetroefdj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal