elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aftrouwen

aftrouwen , [scheiden] , aftrouwen , oftrouen  , echtscheiden, Gron. oftrouen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
aftrouwen , oftrouen , (aftrouwen), voor: gerechtelijk scheiden van man en vrouw; ook Drentsch; zij bin oftroud; zij kennen nijt oftrouen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aftrouwen , åftrauen , zwak werkwoord , echtscheiden
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
aftrouwen , oftrouwen , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) = scheiden, uit elkaar gaan Zie bint mor twie jaor trouwd west, toen bint ze al weer oftrouwd (Wee), As dat zo möt, kuw beter oftrouwen (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal