elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afvaart

afvaart , ofvaort , de , ofvaorten , 1. afvaart De ofvaort van de boot is um tien ure (Die) 2. afrit Je kunt gebruuk maoken van zien ofvaort, ...ofrit (Bal), Dei ofvaort mot wat an daon worden; dei is veul te staail (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afvaart , ofvaort , zelfstandig naamwoord , de 1. afvaart 2. plaats van de ofvaort
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal