elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afvademen

afvademen , ofvoamen , (klemtoon op: voa), in: ik ken ʼt ofvoamen = ik kan de uiteinden van het voorwerp met de toppen mijner vingers bereiken als ik de armen zoover mogelijk uitstrek. – Een voam (vadem) eigenlijk een lengtemaat van 6 voet; afvademen = hout bij den vadem meten. Gewoonlijk rekent men de lengte van een gewoon man op 6 vt, en dus ook die der armen plus de breedte der borst. Vgl. omvoamen, en zie: ofrekken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
afvademen , ofvaomen , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. meten door het spannen van duim en wijsvinger of pink dan wel door het maken van grote stappen Hij kun de knikkers niet ofvamen (Pdh) 2. bijbenen Die man luup zo hard, dat kind kun het niet ofvaomen (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal